- 1 jun 2015
Als Pascal een dier was, dan was hij een Buffalo. Een grote zware kop, korte dikke nek en een breed voorhoofd. Kenmerkend aan hem was de grote bult die tussen zijn schouders omhoog stak. Pascal was trots op die bult, hoewel hij er vroeger veel mee was gepest. Hij werd wakker op zijn buik, de bult dwong hem ertoe elke nacht op zijn buik te slapen terwijl zijn voorkeurshouding op zijn rug was. De wekker gaf 7:10 aan. Tijd genoeg, Pascal glimlachte.
Het warme water stroomde over de brede behaarde rug. Pascal hield ervan heet te douchen, het mocht een beetje branden op zijn huid. De bult tussen zijn schouders spleet de straal in tweeën. Zijn stemming was opgewekt. Vandaag werd hij eenenvijftig. Een bijzondere leeftijd want nu had Pascal definitief zijn vader overleefd. Deze dag was een punt in zijn leven en dat moest gevierd worden; gemarkeerd, voor eeuwig. Hij streek met zijn hand over zijn bult. Die dikke vlezige vetklomp zonder kern. Het water stond tot aan zijn enkels en de douchebak stroomde bijna over. Het kapotte putje dwong Pascal zijn doucheritueel eerder af te breken dan gewenst. Hij fantaseerde over de haarbal die eruit tevoorschijn zou komen als hij het putje zou openen. Pascal draaide de kraan dicht met zijn korte behaarde handen.
‘U bedoelt een stier?’ De man van de tattoo shop keek fronsend naar het plaatje dat Pascal voor hem op de toonbank gelegd had. ‘Dat is geen stier, dat is een Buffalo. De Buffalo is een Amerikaanse bizon. Een uniek exemplaar, er zijn er niet veel meer van in de wereld. De indianen hebben ze systematisch uitgeroeid’. Pascal drukte zijn dikke wijsvinger op de neus van de Buffalo terwijl hij zijn verhaal deed. ‘Juist’ zei de man van de tattoo shop, ‘een Buffalo. Komt u maar liggen op uw buik, dan kan ik er goed bij’. De man trok zijn handschoenen aan en doopte zijn naald in de verf; ‘Bent u er klaar voor?’, ‘Jawel’ antwoorde Pascal terwijl hij zijn duim opstak ‘helemaal’. Pascal sloot zijn ogen, het zoemen van het apparaat. Niet lang daarna trok er een warme gloed tussen zijn schouders.
Duizelig kon hij het niet noemen, maar Pascal voelde zich wel degelijk licht in zijn hoofd toen hij de tattoo shop verliet. Nu was hij weer alleen en dat op zijn verjaardag. Alleen zijn op deze gedenkwaardige dag, het idee sprak Pascal niet aan.
Het moest daarom ook wel een teken zijn, het meisje dat op de hoek van de straat verscheen. Haar hakken klikte op de straatstenen, kleine voetjes in hoge pumps. Ze droeg een rood jurkje en haar rode haren glinsterden in de zon. In de fractie van de seconden waarin ze op minder dan een meter afstand van elkaar waren, opende Pascal zijn mond om het haar te vragen ‘Wil je misschien…’. Maar zijn vraag werd overstemt door het geluid van een toeterende vrachtwagen. ‘Wel verdomme’ dacht Pascal toen ze voorbij was, ‘is het nou eens afgelopen met die onzin’. Hij dacht aan de naald die zojuist de afbeelding in zijn huid had gestanst. ‘Ik ben verdomme een Buffalo’ zei hij hardop tegen zichzelf ‘een Buffalo verdomme!’ Zijn benen begonnen te bewegen, eerst traag maar toen zette hij de versnelling in waardoor het op galopperen leek. Hij tikte het meisje op haar schouder zonder nadenken. Ze draaide zich met een ruk om.
‘Hallo, sorry dat ik u zomaar op uw rug tik. Ik bedoel, ik ben zo niet normaal gesproken maar vandaag is een bijzondere dag, een markering. Ik ben eenenvijftig geworden’ Pascal moest stoppen om op adem te komen.
‘Gefeliciteerd. Eenenvijftig klinkt oud maar toch ook leuk. Voelt u zich een beetje jarig?’ het meisje keek in de zon daardoor had ze groene vlekjes in haar blauwe ogen.
‘Ja…. Jawel. Maar ook weer niet. Ik ben op zoek naar visite…. Voor op mijn feest. Het is geen groot feest, dat moet ik eerlijk zeggen maar toch zeker wel een feest en daar hoort visite bij. Wil jij mijn visite zijn?’
Stilte.
Het meisje begon te lachen, eerst een glimlach maar toen met open mond. Schateren, haar haren golfde mee op haar lach. Pascal begon ook te lachen, hij voelde zijn bult meedeinen op het schokken van zijn schouders. Plots stopte het meisje met lachen.
‘Nee, natuurlijk niet! Gekke vent. Ik ben niet zomaar iemand. Ik ben niet zomaar visite!’
Pascal voelde een druppel glijden over zijn bult ‘Nee, excuseer, natuurlijk bent u niet zomaar iemand, u bent geen visite’
‘Ik ben hele speciale visite’ zei het meisje. ‘En ik heb maar heel weinig tijd. Ik kan vijf minuten, hele speciale visite zijn. Maar dan wil ik wel een glas ijskoude cola. De tijd gaat in als ik uw drempel overstap’.
‘Akkoord’ zei Pascal en hij hief zijn hand voor een high five. ‘Akkoord, ik heb Pepsi’.
Ze zaten tegenover elkaar. Zij met haar glas cola, Pascal had er een rietje met een palmboom ingedaan om de feestelijke sfeer te benadrukken. Hijzelf opende een bok bier en schonk het in een speciaal glas. Zij had haar benen over elkaar geslagen en trilde met haar kleine voet heen en weer. Ze keek onophoudelijk naar de klok. Toen er drie minuten vestreken waren zei ze ‘ik vind dit een rare situatie’.
‘Ik ook’ zei Pascal en hij dacht na over wat hij nog meer kon vertellen. Zijn leven flitste aan hem voorbij, er moest toch iets zijn wat haar kon interesseren. Bovendien was het zijn feest, een goede gastheer houdt het gesprek gaande.
‘Ik vind het ook niet echt overkomen als een feest’ zei het meisje, haar ogen strak op de klok gericht ‘of je moet een heel saai feest bedoelen’.
‘Ik ben ook een hele saaie man’ zei Pascal. Het meisje wierp één blik op Pascal en keek toen weer naar de klok. ‘tiktaktiktaktiktak’ ze deed mee met het geluid van de klok. Pascal werd er zenuwachtig van, een branderig gevoel in zijn bult. ‘Ik weet toevallig heel veel van de Buffalo’ zei hij toen. Het meisje schoot in de lach ‘Een wat?’ zei ze.
‘Wacht ik laat het je zien’ Pascal begon de knopen van zijn blouse open te maken. Hij zou haar het tonen. Zijn bult, met daarop de perfecte kop van de Buffalo. Nog rood van het tatoeëren maar toch, het zou indruk maken. ‘Ik vind dit een beetje ongepast worden meneer de jarige. De vijf minuten zijn ook al bijna voorbij dus ik denk dat ik zo maar ga’. Het meisje zette haar Cola neer. ‘Nee even wachten nog’ Pascal kon zijn opwinding nauwelijks onderdrukken ‘Ik laat je zien wat een Buffalo is’, zijn blouse was nu bijna uit, zijn behaarde borstkas zat vol met zweetdruppels. Het meisje stond op ‘ik hoef niet te weten wat een Buffalo is, bedankt voor de cola’. Pascal pakte haar vast, met zijn dikke handen omklemde hij haar dunne armen met sproeten. ‘Wil je me even loslaten’ het meisje keek hem aan met grote blauwe ogen, de groene vlekjes waren verdwenen. ‘Ik laat je alleen even zien wat een Buffalo is en dan kun je gaan’ fluisterde Pascal. ‘Ik hoef niet te zien wat een Buffalo is. Ik haat Buffalo’s’ het meisje trapte met de hak van haar pump op zijn teen. Het was een reflex, hoe zijn hoofd naar achter schoot, alle spieren in zijn korte nek zich spande. Hoe hij naar voren vuurde met dat brede, platte voorhoofd. Hoe hij brieste. Zijn voorhoofd tegen haar neus boorde. Een krak, bloed dat direct in de rondte spoot. Hij hoorde haar gillen. Weer naar achter met die grote kop, spieren spannen en uithalen. Hij hoorde iets breken, verpulveren, sap wat ergens uitliep, hij hoorde haar kokhalzen, haar jurkje, haar haar, haar gezicht, alles rood. ‘Ik ben een Buffalo verdomme’ mompelde hij. Haar lijfje dat verslapte, haar oogbal die verdween. Zijn bult gloeide, de kop van de Buffalo kleurde rood. Met een smak liet hij haar vallen, rietje met de palmboom in haar hand.
Een nette kist, van goed hout. Pascal had het nog liggen in zijn schuur. Het hoefde maar klein te zijn en smal. Hij was nu eenenvijftig jaar en één dag. Het feest was anders gelopen dan gepland maar een markering was het wel geweest. Het zagen klonk als zijn eigen ademhaling; snel, ritmisch en raspend. Hij had zijn vader overleefd, dat was iets.
Haar lijfje was licht en zacht. Het paste precies in de kist. ‘goed uitgemeten’ mompelde Pascal tegen zichzelf. Hij sleepte de kist naar het vennetje achter zijn huis. Aan de rand tilde hij het op. Hoog boven zijn hoofd, de onderkant van de kist raakte zacht zijn bult, de punt prikte in de neus van de Buffalo. Met een brul wierp hij de kist van zich af.
Soms lopen de dingen anders dan gepland en bovendien, zijn Buffalo’s landdieren.
- 25 dec 2014
Het is kerstavond. Ik at een kerstkrans toen plotseling de telefoon ging.
Ik keek naar de telefoon en toen naar de kerstkrans in mijn hand. Alsof ze iets met elkaar te maken hadden.
Het gerinkel kaatste hard door de kamer, via de muren, het plafond, de vloer, tegen de kerstkrans zo mijn oor in. Het is kerstavond, wie belt er nu? Even overweeg ik de kerstkrans in mijn oor te stoppen, als plug, zodat ik het gerinkel niet hoor maar dan loop ik toch naar de telefoon. Ik neem de hoorn van de haak.
"Hallo"
Stilte
"Hallo, met wie spreek ik."
Aan de andere kant van de lijn klinkt een droge kuch.
"Hallo" zegt een stem.
"Hallo" zeg ik.
Stilte
"Hallo" zeg ik.
"Hallo, met de eenzame man"
Ik weet niet direct hoe ik hier op moet reageren.
" Hallo eenzame man, hoe komt u aan mijn nummer?"
"Ik heb uw nummer uit het telefoonboek"
"Oja" antwoord ik "dat kan."
"Ik dacht, ik bel eens iemand op. Zo op kerstavond. Ik schoof de kip in de oven en ontkurkte de fles toen ik mij bedacht dat er iets ontbrak. Dat was het moment dat ik het telefoonboek pakte. Ik praat nu over de afgelopen vijf minuten, dat begrijpt u. Uw nummer stond bovenaan de pagina die ik open sloeg. Daar kunt u ook niets aan doen. Vindt u het vervelend?”
De eenzame man zweeg. Ik hoorde zijn ademhaling. Zijn mond zat te dicht op de hoorn en het praten had hem vast uitgeput. Ik dacht aan de kip in zijn oven en over zijn vraag.
"Nee" zei ik. "Nee eenzame man, ik vind het niet vervelend dat u belt. En ik vind het ook niet vervelend dat ik bovenaan de pagina sta. Dat is iets wat ik nog niet wist."
"Mooi" antwoordde de eenzame man. "Dan hebben we het daar vast over gehad"
Vast over gehad...Ik vroeg me af wat de man nog meer wilde bespreken.
"Wat wilde u precies bespreken deze avond?" Ik probeerde de vraag officieel te laten klinken.
"Het is niet zo dat ik u elke avond bel. Dit is de eerste keer dat ik u aan de lijn heb. Uw vraag klinkt alsof ik u dagelijks bel"
"Sorry" zei ik "dat was niet mijn bedoeling".
"Ik wil gewoon een gesprek" ging de man verder. "Van mens tot mens per telefoon. Dat is toch zeker niet raar."
De stem van de eenzame man klonk wat geïrriteerd.
"Helemaal niet. Een mens mag rustig eens een ander mens opbellen om iets te bespreken. Het is tenslotte ook kerstavond."
Dit stelde de man gerust.
"Dat bedoel ik" mompelde hij.
Het viel weer stil. Zijn ademhaling klonk nog steeds door de hoorn. Ik keek rond in mijn huis, zocht naar inspiratie voor een gesprek. Mijn blik bleef hangen op de afgekloven kerstkrans. Toen besloot ik het hem toch maar op de man af te vragen. Het was immers een gesprek van mens tot mens.
"Bent u alleen?" Vroeg ik.
"Dat is geen keuze" antwoorde de man.
"Ik ben ook alleen" ging ik verder. "En dat is al jaren zo. Ik had bijna de telefoon niet opgenomen maar ik ben blij dat ik het wel gedaan heb. Hoe staat het met uw kip?"
"Die staat in de oven" zei de man. "Ik heb alles hier piekfijn onder controle in dit huishouden. Ik schenk mezelf straks een rode wijn in en dan zal ik de kip aansnijden. Natuurlijk heb ik dan ook een kerstplaat opgezet. Luistert u kerstmuziek mevrouw?"
Het was voor het eerst dat de eenzame man mij zo noemde. Het voelde alsof we elkaar al beter kenden.
"Ik ga vanavond naar de nachtmis. Dat is ook met muziek" zei ik.
"Bent u gelovig?" vroeg de man.
"Ik ben gelovig opgevoed, maar ik ben het een beetje verleerd. Maar naar de nachtmis ga ik elk jaar."
"Dat u onder de mensen bent" zei hij. Het was geen vraag. Ik hoorde de man rommelen met iets.
"Ook dat ik onder de mensen ben. Maar dat niet alleen. Ik luister graag naar de pastoor, hij heeft een fijne stem."
"En dan de muziek" vulde de man aan.
"Dat ook" zei ik.
Ineens klonk een hard gekraak.
"De verbinding wordt slecht" riep ik hard in de hoorn. "Ik denk dat u elk moment wegvalt. Hallo, eenzame man. Eenzame man, bent u daar nog?"
Toen klonk er zacht muziek. De tonen van het Ave Maria. Een krakerige stem begon te zingen. Ik drukte de hoorn hard tegen mijn oor. Het geluid van de adem van de eenzame man vermengde zich met het lied. Ik keek opnieuw naar het afgekloven kransje in mijn hand en daarna naar buiten waar sneeuw op de daken lag. Toen begon ik zacht mee te neuriën. Door de hoorn, recht in het oor van de eenzame man. Zijn adem, mijn geneurie, Ave Maria, dat alles tegelijk in een telefoonlijn. Ik kon er niets aan doen, ik moest huilen.
We luisterden het hele lied af.
Op het eind klonk alleen nog het gekraak.
"Die zingen ze vanavond ook" ik wist niet wat ik anders moest zeggen.
"Dat dacht ik al" zei de eenzame man.
"Hoe staat het met uw kip?"
"Die ga ik zo aansnijden"
Ik had voor vanavond pasteitjes met ragout, maar die waren pas voor na de mis.
"Dan ga ik maar weer eens ophangen" zei de man.
"Dat is prima" zei ik "Ik hoop dat de kip u smaakt"
"Ik maak hem elk jaar, dus dit jaar zal niet anders zijn."
"Ja?"
"Ja"
Het viel weer even stil.
"Nou, een zalig kerstfeest dan voor u, eenzame man."
"Ook voor u mevrouw. En bedankt voor uw tijd"
"Het was geen moeite....maar toch bedankt"
"Dag"
"Dag"
En toen een doffe klik.
- 19 mrt 2014

We waren die dag terug gekomen voor Meneer Smirnov. Hij was degene die Grigori Perelman voor het laatst gesproken had, zo hadden we van Meneer Vershik vernomen. Als er iemand was die ons meer kon vertellen over Grisha, dan was hij het.
Ik had Meneer Vershik die ochtend nog gebeld vanuit het hostel: “You only have few minutes to speak to Mister Smirnov. You can ask for Mister Lotkin to introduce you to him”. Toen hoorde ik een andere telefoon over gaan in zijn kamer: “Sorry Ilse, I have to go now. It was nice meeting you and I wish you the best." Hij sprak mijn naam uit met de mooist klinkende L die ik ooit gehoord had. We wisten verder niets over Meneer Smirnov, noch over Meneer Lotkin. We wisten dat we om half zes in het Steklov moesten zijn en dat we tijd hadden voor één vraag. Eén cruciale vraag. De rest van de middag dachten we na over wat die vraag zijn moest.
De vrouw achter het loket van het Steklov zuchtte diep toen ik haar vroeg waar het toilet was. Het toilet spoelde niet goed door.
Daarna namen we de brede stenen trap naar waar wij dachten dat het kantoor van Meneer Lotkin was. De aanwijzingen die Meneer Vershik ons daarover had gegeven waren summier.
We belandden op de etage van de directeur van het Steklov, die we nog kenden van ons vorige bezoek. Om de een of andere reden spraken we op die etage ineens op fluistertoon.
De secretaresse van de directeur wees ons waar we konden wachten. Een oud zwart leren bankje, wederom omringd door vetplanten.
We spraken nog steeds op fluistertoon en hadden het voornamelijk over hoe we dachten dat Meneer Lotkin eruit zou zien. Ook herhaalden we nog een aantal keer de vraag die we besloten hadden te stellen aan Meneer Smirnov. Ondertussen hielden we onze ogen strak op de deur gericht.
Een klein grijs mannetje met een rond hoofd opende de deur. Het was Meneer Lotkin en zo zag hij er ook uit. Hij wist van onze komst, Meneer Vershik had het hem aangekondigd. Hij vertelde ons dat Meneer Smirnov onderweg was voor een vergadering met de wiskundige top van Rusland. Die vergadering vond plaats in de enige fraaie ruimte van het Steklov. Een soort balzaal die wij de dag ervoor met de directeur bezocht hadden en waar de marmeren zuilen van plastic bleken.
Meneer Lotkin vroeg ons waarom wij in Rusland waren en wat ons project inhield. Toen hij vroeg of we naast Grigori Perelman nog meer wiskundige helden hadden, viel het even stil.
Toen vertelde Meneer Lotkin dat Meneer Smirnov ook een Fields Medal winnaar was. Of eigenlijk, hij vertelde het niet. Het kwam meer terloops ter sprake. Die brave Meneer Lotkin ging er natuurlijk vanuit wij daarvan op de hoogte waren. Dat dát juist de reden was dat wij hem een vraag wilden stellen. Onze enige vraag. De cruciale vraag.
Ik voelde mijn mond droog worden. Wij zouden binnen enkele seconden blootgesteld worden aan een Fields Medaille winnaar en de enige vraag die we hadden voorbereid en waar we zeer, zéér lang over na hadden gedacht ging over Grigori Perelman. Het hoofd van Meneer Lotkin leek te veranderen in een wiskundige formule. Ik keek naar de deur die ineens op de stelling van Pythagoras leek, de vetplanten transformeerden langzaam in het getal Pi.
We begonnen weer te praten op de fluistertoon die bij deze etage hoorde.
Het werd snel duidelijk. We konden onze vraag niet stellen dat was zeker. Het zou oneerbiedig zijn. Het zou zijn alsof je één minuut met Leonardo DiCaprio hebt en hem dan vraagt hoe het staat met Johnny Depp. Het kon gewoon niet. We moesten een andere vraag verzinnen. En wel binnen enkele seconden. Waarom had niemand ons vertelt dat Meneer Smirnov een Fields Medal gewonnen had? Of was het ons ontgaan? We hadden hem moeten Googelen. Er was geen tijd.